Doordat dit materiaal een wat hoger koolstofgehalte heeft dan constructiestaal is het harder en ligt de vloeigrens hoger. Het wordt onder andere gebruikt in wegenbouwmachines, werktuigmachines en productie-machines. 

Het gaat daarbij vaak om de bewegende onderdelen in machines, zoals tandwielen, assen, hefbomen, koppelingen. Specifiek wenselijke materiaaleigenschappen voor dergelijke onderdelen kunnen door warmtebehandelingen worden verkregen.

Een voorbeeld daarvan is:

Harden
Als het materiaal waaruit machineonderdelen worden gemaakt extra hard/ slijtvast moet zijn, Kan dit - bij materialen die zich daarvoor lenen – worden gerealiseerd door harden. Bij het harden wordt het staal verhit tot een temperatuur waarbij het kristalrooster van ijzer van kubisch ruimtelijk gecentreerd (ferritisch) overgaat in kubisch vlakken gecentreerd (austenitisch). De temperatuur waarbij de omzetting van ferriet naar austeniet begint ligt (afhankelijk van het koolstofgehalte) op ongeveer 800 °C. De koolstof (die om te kunnen harden in voldoende mate aanwezig moet zijn) lost op in de austeniet. Na lang genoeg op de juiste temperatuur te zijn gehouden wordt het materiaal snel afgekoeld door onderdompeling in water of olie. De afkoeling gaat zo snel dat het materiaal niet de tijd krijgt om de bij kamertemperatuur ‘normale’ ferritische structuur te kunnen aannemen. De austenitische structuur met de daarin opgeloste koolstof blijft bestaan. Deze structuur, martensiet genoemd, is door deze behandeling niet alleen harder maar ook minder taai (brosser) geworden.

Veredelen
Om de verhouding tussen de toegenomen hardheid en de afgenomen taaiheid te verbeteren wordt het materiaal een of enkele keren op een bepaalde, verhoogde temperatuur gebracht en voor een bepaalde tijd gehouden. Dit wordt ‘ontlaten’ genoemd. De combinatie van harden en ontlaten wordt ‘veredelen’ genoemd.


TERUG NAAR VORIGE PAGINA