Constructiestaal wordt gebruikt in staalskeletten van gebouwen, waterbouwkundige constructies (bruggen, stuwen), kraanmasten, windturbines et cetera.


Kenmerken van constructiestaal zijn de goede lasbaarheid, de goede bewerkbaarheid en de relatief lage prijs. Hoge-treksterkte-staalsoorten vormen een min of meer bijzondere groep in constructiestaal.  Het gaat daarbij om de verbeterde verhouding tussen de sterkte en het gewicht van het constructiemateriaal. Een voorbeeld van een toepassing van staal met hoge treksterkte is de bouw van masten van mobiele kranen.     

De gestandaardiseerde aanduiding van constructiestraal begint met S (van Structural).

Voorbeelden zijn:

S355J2+N (EN 10025-2).

Dit is een veel gebruikte staalsoort die zowel goed lasbaar als bewerkbaar is.

355 is de aanduiding voor de minimale vloei- of rekgrens in N/mm² (MPa) in het kleinste diktegebied. J2 is de aanduiding die verwijst naar de kerfslagwaarde bij een bepaalde temperatuur: 27 Joules bij - 20°C en +N geeft aan dat het materiaal is genormaliseerd.


S690 QL (1) S960 QL en S1100 QL.  (EN 10025-6)

Dit zijn aanduidingen van hoogwaardige, veredelde, fijnkorrelige staalsoorten met (zeer) hoge treksterkte. Deze worden toegepast in constructies waarbij de combinatie van een grote sterkte bij een laag gewicht van belang is, zoals bij beweegbare bruggen en masten van mobiele kranen.

   

S staat voor Structural, (constructiestaal). 690, 960 en 1100 geven de waarden aan van de rekgrens in N/mm² (MPa) in het kleinste diktegebied.

N geeft aan dat het materiaal normaalgegloeid/ genormaliseerd is.   

Q staat voor Quenched (gehard).

L geeft aan dat de kerfslagwaarde (27 Joules) is gemeten bij een temperatuur van - 40°C,

L1 geeft aan dat deze kerfslagwaarde is gemeten bij een temperatuur van - 60°C.


TERUG NAAR VORIGE PAGINA