Staal is een zeer veel gebruikt, recyclebaar materiaal. Het wordt onder andere toegepast in constructies van gebouwen, machines, schepen, gereedschappen, voertuigen, verpakkingen (blikjes), infrastructuur (o.a. bruggen) en energie-technische installaties zoals windturbines.

Staal bestaat voor het overgrote deel uit ijzer (Fe) en voor minder dan 2 (gewicht) procent uit Koolstof (C). Daarnaast komt er in staal een aantal andere elementen voor die voortkomen uit het productieproces van staal. Om bepaalde eigenschappen te verkrijgen of te versterken kunnen bij de staalfabricage diverse elementen worden toegevoegd, aangeduid als ‘legeringselementen’. Als dat gebeurt spreken we van gelegeerd staal. Voorbeelden van legeringselementen zijn Silicium (Si), Molybdeen (Mo), Mangaan (Mn), Chroom (Cr) en Nikkel(Ni). De percentages aan toegevoegde elementen varieren van 1,5 % tot meer dan meer dan 5% (hooggelegeerd staal).

Koolstof is een element dat altijd, in relatief kleine hoeveelheden - van enkele honderdsten (gewicht) procenten tot ongeveer twee procent - in staal voorkomt en dat niet altijd als legeringselement wordt beschouwd. In het algemeen geldt dat hoe meer koolstof in het staal zit des te sterker en harder het is. Bij toename van het koolstofpercentage neemt de lasbaarheid af. Dat wil niet zeggen dat staal met een wat hoger koolstofpercentage niet gelast zou kunnen worden. Het betekent wel dat er bij dergelijk materiaal, bij het lassen meer voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden; bijvoorbeeld om scheurvorming te voorkomen.


TERUG NAAR VORIGE PAGINA